noodklok
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈnotklɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een alarmklokDe noodklok werd direct geluid.Hulporganisaties luiden noodklok over Europese vluchtelingendeal [http://www.nu.nl/bootvluchtelingen/4231710/hulporganisaties-luiden-noodklok-europese-vluchtelingendeal.html www.nu.nl]In zijn afscheidsspeech heeft Joe Biden de noodklok geluid over de macht van de megarijken. De oligarchen “bedreigen onze democratie, onze basale rechten en onze vrijheid”, zei de president. [https://www.bnnvara.nl/joop/artikelen/biden-waarschuwt-voor-tech-industrieel-complex-en-oligarchen-trump-neemt-13-miljardairs-op-in-kabinet www.bnnvara.nl (16 jan 2025)]
Uitdrukkingen
- De noodklok luiden. — alarm slaan over iets
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek