nooddoop

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het toedienen van het doopsel aan een persoon in stervensgevaar door iemand die geen diaken of priester is
    Zuster abdis: 'Jij hebt eerst een nooddoop gehad in Afrika omdat men vreesde dat je het niet zou halen. Trouwens, Lies, ik woog zelf amper één kilogram bij geboorte en kreeg ook twee dopen.de Standaard 16 JULI 2011 Marijke Libert [http://www.standaard.be/cnt/ad3cr2pv het verborgene: lies lefever ]
    'Ik vroeg wat we voor haar konden doen. We konden haar nog dopen, zei hij. We hadden twee dagen in euforie geleefd, want ze waren de eerste, cruciale 24uur goed doorgekomen. En toen dat.' Een verpleegster bleef bij haar tot Ludo en de rest van de familie arriveerden voor de nooddoop.de Standaard 18 OKTOBER 2007 OM 00:00 UUR | veerle beel [http://www.standaard.be/cnt/sn1ir7d5 Niet meer dan een doos met herinneringen ]