neringdoende

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌnerɪŋˈdundə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die een winkel heeft
    Het ene groepje studenten heeft vooraf overlegd met de neringdoende, het andere verrast de winkelier.
    Een paar straten verderop worstelt Berkelland aan de Nieuwstraat al langer met winkelpanden die zijn 'wegbestemd': ondernemers mogen er niet zomaar meer allerlei detailhandel drijven, maar de bestemming is gekoppeld aan de tak van sport van de laatste neringdoende.

Etymologie

*samenstellend afgeleid van "nering" en "doend"

Vertalingen

Engelsshopkeeper