naaktzadige

mannelijk/vrouwelijk (de)/naktˈsadəɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plant met onbedekte zaadknoppen, zodat stuifmeel door de kiemopening naar binnen kan; benaming voor planten uit de (infra-)klasse
    De lariks is een naaldboom en dus een naaktzadige. Dat wil zeggen dat de zaadknoppen, de toekomstige zaden, niet in een vruchtbeginsel zitten opgesloten.
    De Afrikaanse baobab (Adansonia digitata), ook wel apenbroodboom, is een van de negen baobabsoorten ter wereld. De boom groeit op de savanne in het midden en zuiden van Afrika en kan een houtvolume tot 500 kubieke meter bereiken. Nog niet zo groot als bijvoorbeeld sequoia’s of Nieuw-Zeelandse kauri’s, maar dat zijn allemaal naaktzadige bomen.

Etymologie

*: "naaktzadig" met de uitgang -e