naald

mannelijk/vrouwelijk (de)/nalt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) soort gereedschap dat gebruikt wordt voor het aan elkaar bevestigen (naaien) van kledingstukken of andere voorwerpen van stof, zoals leer
  2. techniek (techniek) wijzer van een instrument: kompas, weegschaal enz.
  3. elektronica (elektronica) aftaster van een grammofoon
  4. medisch (medisch) deel van een injectiespuit
  5. lang en slank gedenkteken bijvoorbeeld een obelisk
  6. bouwkunde (bouwkunde) aanslaglijst van een deur of raam, ook wel tong- of stolpnaald genoemd
  7. lang, slank en stijf blad van sommige coniferen

Etymologie

* In de betekenis van ‘dunne stift om te naaien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1156

Uitdrukkingen

  • zoeken naar een naald in een hooibergIets zoeken dat vrijwel niet te vinden is; een onmogelijke taak proberen uit te voeren
  • Door het oog van de naald kruipenTernauwernood aan een gevaar ontsnappen
  • Heet van de naald zijnDirect iets doorvertellen; nog heel nieuw zijn (bijv. van nieuws)

Vertalingen

Engelsneedle
Fransaiguille
DuitsNadel
Spaansaguja
Italiaansago
Japans
Poolsigła
Zweedsnål