muskus
mannelijk (de)/'mɵskɵs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdierenSommige mensen vinden muskus lekker reuken, maar ik vind het te aanwezig.
Etymologie
*Van muṣká via Middenperzisch mušk, μόσχος (moschos) en middeleeuws Latijn: muscus.
Vertalingen
Engelsmusk
Fransmusc
DuitsMoschus
Spaansalmizcle
Italiaansmuschio
Portugeesalmíscar
RussischМускус
Japans麝香
Arabischالمسك
Turksmisk
Poolspiżmo
Deenszibet
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek