motorzijspan

/ˈmotɔrˌzɛispɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) motorfiets waaraan opzij een karretje is vastgemaakt dat één zitplaats en meestal maar één wiel heeft
    De komst van de tram zou Gerard haast gerustgesteld hebben, als hij niet tegelijkertijd, aan de overkant bijna op gelijke hoogte met de tram, een motorzijspan had zien rijden met drie agenten erop, waarvan een, een heel dikke met witte handschoenen aan, Gerard wenkte.