motor

/'mo.tɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. werktuigbouwkunde (werktuigbouwkunde) krachtbron die met behulp van een energiebron een werktuig, machine of vervoermiddel aandrijft
    Deze motor loopt op elektriciteit.
    'Ik heb je cadeau in Surrey laten 1iggen,' zei hij, terwijl hij de motor liet draaien.
    's Avonds hoorde Teresa de motor van de Packard, wanneer Harold de heuvel af rolde, het hek door, op weg naar Malaga.
  2. verkeer (verkeer) een verkorting van "motorfiets", het gemotoriseerd voertuig op twee of drie wielen
    Hij heeft net een nieuwe motor gekocht, een Harley.
    Ik moet wel niet op wacht maar ik trap mijn motor aan en ga er snel achteraan.
    'Veel mensen leggen de route af per fiets, op de motor of in een klassieke auto.'
  3. figuurlijk (figuurlijk) iemand die wordt beschouwd als de drijvende kracht van een organisatie
    Hij is de motor van ons bedrijf, zonder hem waren we al lang failliet gegaan.

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse movēre (bewegen)

Vertalingen

Engelsengine, motorbike
Fransmoteur, moto
DuitsMotor, Motorrad
Spaansmotor, moto