mis

mannelijk/vrouwelijk (de)/mɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) een eucharistieviering, de katholieke eredienst waarin het sacrament van de eucharistie wordt gevierd
    De mis is zojuist begonnen.
werkwoord
  1. (vooral als naamwoordelijk deel van het gezegde) fout, verkeerd
    Het is nu goed mis!
    'Hoelang hebben julliem Wat was er mis met mij? Waarom was ik niet ' Isaac kwam op haar aflopen.
    Ingrijpen doe ik alleen als het echt mis dreigt te gaan en dan nog zo zuinig mogelijk.

Etymologie

* Van Latijn missa (heenzending), afgeleid van het Latijnse mittere (zenden). Vermoedelijk afgeleid van de laatste woorden van de mis Ite, missa est (ga, het is de heenzending).

Uitdrukkingen

  • Parijs is wel een mis waard.om een voordeel te behalen bij tegenstanders aansluiten
  • niet mis zijnzeker zo goed zijn als verwacht mag worden
  • het mis hebbenhet bij het verkeerde eind hebben, zich vergissen
  • mis zijn
  • Niet geschoten, altijd mis.als je het niet probeert, komt er ook niks van

Vertalingen

Engelsmass
Fransmesse
DuitsMesse, irren
Spaansmisa
Deensmesse