middag
mannelijk (de)/ˈmɪdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening) het midden van de dag, 12.00In het hele taalgebied verwijst middag naar het midden van de dag, het middaguur.
- (tijdrekening) (in Nederland) het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur; namiddagIn de middag zijn de meeste mensen nog aan het werk.De periode van de dag die men in Nederland als middag aanduidt, wordt in België meestal namiddag genoemd.Die middag loopt Nella langzaam door de gangen.
- (figuurlijk) het midden van het leven
Etymologie
* samenstelling van mid (midden) en dag
Uitdrukkingen
- [3] de middag van het leven — de middelbare leeftijd
Vertalingen
Engelsnoon, afternoon
Fransmidi, après-midi
DuitsTagesmitte, Mittag, Nachmittag
Spaansmediodía
Italiaansmezzogiorno, pomeriggio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek