matigheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. van een persoon dat deze niet teveel eet en drinkt
    Hij kijkt om zich heen naar de mossen en asymmetrisch geplante lage varens. ` Wat me verbaast is dat een volk dat toch meent rechtstreeks van de goden af te stammen zo opzichtig matigheid nastreeft.'{{Aut|Beijnum, Kees van
    Zo kwam het dat Rob langzaam maar zeker zijn voorgenomen matigheid uit het oog verloor en hij avond aan avond van De Vos naar het huis aan Thames Street wankelde om zich door Mary als een onbeholpen kleuter naar bed te laten helpen. {{Aut|Gordon,Noah

Etymologie

* afleiding van matig

Vertalingen

Engelsmoderation, modesty