marathonschaatser
mannelijk (de)/ˈmaratɔnˌsxatsər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sport) schaatsenrijder die meedoet aan een of meer wedstrijden met minstens 5 gelijktijdig startende deelnemers over zeer lange afstandenFotografie boeide Groeneveld al toen hij zelf nog schaatste. (…) „Buitenijs is het mooist, ook qua beeld.” Niet voor niets was zijn jongensdroom vroeger om ooit de beste marathonschaatser te worden en niet per se olympisch of wereldkampioen.Dinsdag riep schaatsbond KNSB dringend op voortaan een helm te dragen op natuurijs. Voor marathonschaatsers werd die vorig jaar al verplicht.
Etymologie
*, gevormd naar het voorbeeld van marathonloper
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek