marathonloper

mannelijk (de)/ˈmaratɔnˌlopər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) hardloper die meedoet aan een of meer wegraces over lange afstanden
    De Nederlandse marathonloper Abdi Nageeye krijgt tijdens de sluiting de zilveren medaille die hij eerder deze zondag in Sapporo behaalde op de marathon.
    Marathonlopers zijn doorgaans vredelievende mensen. Ze geven elkaar onderweg, als het even kan, een bidon met water door.