liefde
vrouwelijk (de)/ˈlivdə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sociologie) uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelenMijn liefde voor hem.Een liefde voor Frankrijk.Ingeborgs vader, baron Von Freital, geloofde niet in de liefde, maar des te meer in geld en afkomst, en vooral in de gunstige combinatie van die grootheden.
- (psychologie) uiting of gevoel van grote rechtstreekse betrokkenheid, passie [1]Liefde voor het bouwen.
- (seksualiteit) seksuele aantrekkingskracht, m.n. tussen mensenNiemand scheerde zijn kin of oksels, bh’s bleken niet te werken onder zware rugzakken en er was een gezonde hoeveelheid vrije liefde onder de jonge garde.
Etymologie
* In de betekenis van ‘genegenheid’ voor het eerst aangetroffen in 1291
Uitdrukkingen
- ongeluk in het spel, geluk in de liefde — wie pech heeft in iets onbelangrijks kan geluk hebben bij iets belangrijkers
- Liefde is blind. — door verliefdheid de gebreken van een ander niet zien
- De liefde kan niet van één kant komen. — als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen
- Iets met de mantel der liefde bedekken — iets niet met anderen bespreken maar stilzwijgen en accepteren
Vertalingen
Engelslove
Fransamour
DuitsLiebe
Spaansamor
Italiaansamore
Russischлюбовь
Japans愛
Poolsmiłość
Zweedskärlek
Deenskærlighed
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek