klootzak

mannelijk (de)/ˈklotsɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) balzak, "scrotum"
  2. scheldwoord (scheldwoord) doortrapte/gemene of erg vervelende man
    Vliegen sloopt het klimaat, vlees eten is zielig en je bank financiert de wapenhandel. We weten het, maar handelen er niet naar. Omdat we nu eenmaal klootzakken zijn [https://decorrespondent.nl/8602/waarom-ik-een-klootzak-ben/917085980822-6b2fc064 decorrespondent.nl 22 aug 2018]
    De Duitsers antwoordden. Aan Franse zijde duurde het niet lang of iedereen had zich verzameld. Ze zouden die klootzakken hun vet eens geven. Het was 2 november 1918. Het was nog niet bekend, maar de oorlog zou nog minder dan tien dagen duren. {{Aut|Lemaitre, Pierre

Etymologie

* Van kloetzak (<klootsack), oudste bekende vermelding in het jaar 1644. In de tegenwoordig vooral gangbare betekenis van scheldwoord voor iemand van het mannelijk geslacht voor het eerst aangetroffen in 1908

Vertalingen

Engelsarsehole, asshole, bastard
Fransconnard, salaud, trouduc
DuitsArschloch
Spaanshijo de puta, cabron
Italiaansstronzo