kleppen
/ˈklɛpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- een klappend geluid voortbrengenHij hoorde zijn brievenbus kleppen.
- het geluid van een klepel tegen een klok voortbrengenDe klokken klepten luid voor mij en Jimmy Boy.
- (figuurlijk) voortdurend blijven praten over onbelangrijke onderwerpenHet ging helemaal nergens over, maar ze bleef maar kleppen.
Etymologie
*: "klep" met de uitgang -en
Vertalingen
Deenshyggesnakke, sludre, småsnakke
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek