klepel

mannelijk (de)/ˈklepəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. peervormige staaf die in een klok bij het luiden tegen de rand slaat en zo de klok geluid doet geven

Etymologie

* van kleppen

Uitdrukkingen

  • Hij heeft de klok wel horen luiden maar weet niet waar de klepel hangthij heeft iets gehoord, trekt conclusies, maar kent niet het totaalplaatje

Vertalingen

Engelsclapper
Fransbattant
DuitsKlöppel
Spaansbadajo