klep

mannelijk/vrouwelijk (de)/klɛp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scharnierend bevestigde afsluiting die open en dicht kan
    Hij klapte de klep van de piano open en slaat wat tonen aan.
  2. informeel (informeel) orgaan in het hoofd van humanen waar ongewenst geluid uit komt, mond
    Kun je niet 1 minuut je klep houden?
  3. informeel (informeel) iemand die zijn 'klep' teveel gebruikt ouwehoer
  4. techniek (techniek) ventiel waarmee men gedoseerd stoffen (gas, vloeistof, poeders) van de ene ruimte naar de andere kan doen overgaan
    De motor heeft vier kleppen per cilinder.
  5. ver uitstekende rand aan een hoofddeksel om te voorkomen dat de zon in het gelaat schijnt (-> zonneklep)
  6. klep van een broek: een deel van het zitvlak van een broek dat kan worden weggeklapt bij de toiletgang zodat men niet de hele broek hoeft uit te doen

Etymologie

* In de betekenis van ‘klepper, deksel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1490

Vertalingen

Engelslid, valve
Fransabattant
Spaansbatiente, valva, válvula