ketel
mannelijk (de)/ˈketəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te wordenZonder ketels zouden de stoommachine en de Industriële Revolutie niet mogelijk geweest zijn.
- (huishouden) (kookkunst) object om water aan de kook te brengen b.v. een fluitketel, waterketel
- (aardrijkskunde) keteldal
- kop van een aardewerken tabakspijp
Etymologie
*via Middelnederlands "ketel" van Latijn "catinus" "schotel, kom" of het verkleinwoord daarvan "catillus", in de betekenis van ‘vat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- [1] "Meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden"
- De druk is van de ketel — Het is niet meer zo urgent als eerder
- De pot verwijt de ketel [dat die zwart ziet] — De een verwijt de ander iets wat voor beiden net zo goed opgaat
- Druk op de ketel zetten/houden/opvoeren — Blijven aandringen op iets, zorgen dat anderen hun best voor iets blijven doen of hen sterk daartoe manen
Vertalingen
Engelsboiler, kettle
Franschaudière, bouilloire
DuitsKessel, Wasserkessel, Talkessel
Spaanscaldera, caldero, caldera
Italiaanscaldaia
Portugeescaldeira
Chinees锅炉
Japansボイラー
Koreaans보일러
Arabischغلاية (صناعة)
Turkskazan
Poolskocioł parowy
ZweedsÅngpanna
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek