kauw

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) , een zwarte zangvogel met een grijze nek uit de Corvidae
    Er zaten veel kauwtjes in de bomen.

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands ca, couwe, uit Oudnederlands *kāwa, ontwikkeld uit Oergermaans *kawō, een (klanknabootsing) naar het krassende geluid van de vogel. Evenals Oudsaksisch kāa (waaruit Nederduits Kajak(en)), Oudhoogduits chāha, kāa, kā en Fries ka; daarnaast Engels chough ‘alpenkraai’, Noors kaie en Zweeds kaja.

Vertalingen

Engelsjackdaw
Franschoucas
DuitsDohle
Spaansgrajilla
Italiaanstaccola
Russischгалка
Poolskawka
Zweedskaja