kauwgom

/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
    Je moet kauwgom niet op straat uitspugen.
    Het duurde even voordat ik de smaak kon plaatsen. Het leek op een soort combinatie van kip, vis en kauwgom met opvallend veel kleine graatjes.

Etymologie

* In de betekenis van ‘snoepgoed van suiker, olie en gom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1921

Vertalingen

Engelschewing gum
DuitsKaugummi
Spaanschicle, goma de mascar