kardoes

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑrˈdus/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. papieren huls voor buskruit
  2. bepaald hondenras
  3. steunklamp, draagklamp

Etymologie

* In de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1841

Vertalingen

Engelscartridge
Spaanscartucho, perro de aguas