kardoes
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑrˈdus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- papieren huls voor buskruit
- bepaald hondenras
- steunklamp, draagklamp
Etymologie
* In de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1841
Vertalingen
Engelscartridge
Spaanscartucho, perro de aguas
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek