Kardeel

mannelijk (de)/kɑrˈdel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) touw dat gebruikt wordt om een vlag of wimpel op de gewenste hoogte te houden
    Daar heb je een kardeel voor nodig.
  2. scheepvaart (scheepvaart) een van de strengen waaruit een kabel samengedraaid is
zelfstandig naamwoord
  1. vat met een inhoud van ongeveer 200 tot 230 liter

Etymologie

*[B] via Middelnederlands "quarteel" van "quartel" (omdat het een kwart van een karrenvracht vormde)