karakter
onzijdig (het)/ˈkarɑktər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- aard, geaardheid, inborst, natuur, wezenHij is erg zacht van karakter.Albert Maillard. Hij was een slanke jongen met een enigszins traag, bescheiden karakter. {{Aut|Lemaitre, PierreEleonor, die zo geoefend is in het uitwisselen van beleefdheden, verraadt haar zure karakter met een zelfgenoegzaam lachje.
- persoonlijkheidIn zijn eigen woorden wilde hij 'kleur terugbrengen op de wangen van de vereenzaamde en opgesloten jongens, door hun lichamen en karakter te harden door de risico's en zelfs de excessen van sport'.
- een persoon met uitgesproken eigenschappenDe volgende dagen liepen we vaak de eerste paar uur samen op, hoewel we allebei graag alleen wilden lopen. Het was een soort lange scène uit een Woody Allen film waarin we alles en iedereen analyseerden en vervolgens fileerden. We bespraken de verschillende karakters die we tegen waren gekomen op de trail.
- een glief zoals een letter, figuur, symboolEr stond een karakter verkeerd, maar de tekst was nog goed te lezen.
Etymologie
*Van Grieks charaktèr (stempel als stempelresultaat, kenmerk). Van Grieks charassein (inkrassen). Van charax (paal).
Vertalingen
Engelscharacter, character
DuitsCharakter, Charakter
Spaanscarácter, índole
Poolscharakter
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek