ineenschrompelen

/ɪnˈensxrɔmpələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) heel erg in omvang afnemen
    hebt verdobbeld?' Ik zag de hartenvrouw in de vlammen ineenschrompelen; toen was mama verdwenen, en papa en ik waren alleen.