inboorling

mannelijk (de)/ˈɪmborlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) iemand die in een aangegeven land, streek of plaats is geboren
    De term autochtoon heeft een positieve gevoelswaarde terwijl de term inboorling denigrerend bedoeld is.
  2. een autochtone bewoner van een niet-westers land
    - In dat land woonden inboorlingen.
    - Op een verlaten strand achter het dorp van de inboorlingen stuitte ik op een spoor van verse voetstappen. {{Aut|Mitchell, David

Etymologie

*van Middelnederlands inboorlinc; op te vatten als samenstellende afleiding van in (bijwoord) en geboren