autochtoon

mannelijk (de)/ˌɑutɔxˈton/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de oorspronkelijke bewoner van een land, inboorling
    Die man komt uit Nederland, dus hij is een autochtoon.

Etymologie

*afgeleid van het Griekse 'chthōn' (aarde, grond, land)

Vertalingen

Engelsautochthon, autochthonous
Fransautochtone, autochtone
DuitsAutochthone, autochthon
Spaansautóctono, autóctono
Zweedsautokton, autokton