import

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) "invoer" van handelswaar vanuit het buitenland
  2. pejoratief (pejoratief) overwegend denigrerende aanduiding voor mensen die afkomstig zijn van elders
    De import van gelukzoekers hier moet stoppen.
  3. informatica (informatica) het in een computernetwerk invoeren van gegevens die afkomstig zijn uit een ander systeem
    Import van data in SharePoint.

Etymologie

* Afgeleid van het ww. importeren, dat zelf komt van "importer" (<Latijn "importare"). De huidige economische betekenis heeft zich vermoedelijk mede ontwikkeld onder invloed van """. Precieze datering onbekend (16e-17e eeuw).

Vertalingen

Spaansimportación