immigrant

mannelijk (de)/ˈɪmiɣrɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die zich in een voor hem nieuw land vestigt of recentelijk heeft gevestigd, een inkomend landverhuizer
    Vilhelm Moberg had het derde en laatste deel uitgebracht van zijn serie over emigranten die immigranten werden, De kolonisten.
    {{ouds

Etymologie

*via """ ontleend aan Latijn "immigrans", als antoniem van emigrant aangetroffen vanaf 1799 (zie vindplaats hieronder); op te vatten als van immigreren of afleiding van migrant met het uitheemse voorvoegsel in- (3)

Vertalingen

Engelsimmigrant
Fransimmigrant
DuitsImmigrant
Spaansinmigrante