hoeden

/ˈhudə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
    De herder hoedden hun schaapjes in het veld.
    Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden.
  2. refl (refl) zich ~ voor zorgen dat een bedreiging geen werkelijkheid wordt
    Je moet je ervoor hoeden dat je computer niet besmet wordt door een virus.

Etymologie

*afgeleid van hoede

Vertalingen

Engelstend, guard, keep
Fransgarder
Duitshüten
Spaanspastorear, guardar, custodiar