hoed

mannelijk (de)/hut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoofddeksel (hoofddeksel) een hoofddeksel
    De man droeg een hoge hoed.
    ' Misschien kan ik van de gordijnen een hoed laten maken, denkt ze, terwijl ze ze openschuift.
    Ik wil om een gulden wedden dat Frans de grootste hoed van alle aanwezigen draagt, en dat hij die van Agnes moest opzetten.
  2. mycologie (mycologie) het bovenste gedeelte van het vruchtlichaam van een zwam
  3. dierkunde (dierkunde) het koepelvormige deel van een kwal
  4. medisch, letterwoord (medisch), (letterwoord) huisartsen onder een dak, een vorm van groepspraktijk

Etymologie

*van Middelnederlands "hoet", in de betekenis van ‘hoofddeksel’ aangetroffen vanaf 1253

Uitdrukkingen

  • aprilletje zoet geeft ook nog weleens een witte hoed
  • aprilletje zoet heeft ook nog weleens een witte hoed
  • aprilletje zoet sneeuwt nog wel een witte hoed
  • Ergens bewondering voor hebben
  • Hij is zeer stil en gedwee
  • Hij weigert om iemand te groeten
  • Heel erg schrikken van iets
  • Die schat ik niet hoog in

Vertalingen

Engelshat, cap
Franschapeau, chapeau
DuitsHut, Schirm
Spaanssombrero, sombrero
Italiaanscappello, cappella
Portugeeschapéu
Russischшляпа, шляпка, купол
Chinees帽子
Japans帽子, ぼうし
Koreaans모자
Turksşapka, başlık
Zweedshatt, mössa, hatt