hoede
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhudə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- waakzaamheid'Wie bent u?' vroeg ze, op haar hoede als een kat.Op zijn hoede wachtte hij op haar, terwijl zij stopte om op adem te komen.Ondanks al mijn gesprekken met je ben ik waarschijnlijk nog meer op mijn hoede dan jij.
- bewaking, bescherming, bewaring, zorg' 'U hebt ook een zwarte in dienst genomen, nietwaar?' 'Hij komt uit Porto-Novo, in Dahomey ' 'U hebt hem onder uw hoede genomen en hem onze gebruiken geleerd.Waarom zou ze ook, als ze er geen been in zag om haar eigen moeder te laten verdrinken en daar nooit over te praten, en haar eigen zusje - een kind nog! - achter te laten bij een of andere koeienhoeder? Ik zou Arabella onder mijn hoede hebben genomen, houdt Thea zichzelf voor.
Etymologie
* van Middelnederlands "hoede"; van hoeden
Uitdrukkingen
- [1] op hoede zijn
- [2] onder hoede nemen
Vertalingen
Engelsguard
Spaansguardia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek