hebraïsme

onzijdig (het)/hebraˈɪsmə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde, pejoratief (taalkunde) (pejoratief) woord of uitdrukking overgenomen uit het Hebreeuws of gevormd naar Hebreeuws voorbeeld
    Natuurlijk, al die hebraïsmen en graecismen maakten de vorige vertalingen moeilijk leesbaar, maar nu lijkt het soms of iedere beeldspraak gladgestreken moet worden.
    In bijbelvertalingen zoals de Statenbijbel komt namelijk een groot aantal vergelijkbare uitdrukkingen voor: de God der goden, de Heer der heren, het heilige der heiligen, de hemel der hemelen, ijdelheid der ijdelheden, een knecht der knechten, een koning der koningen, en het lied der liederen voor het Hooglied van Salomo. Deze uitdrukkingen zijn letterlijke vertalingen uit het Hebreeuws en heten daarom hebraïsmen, een bijbelse of Hebreeuwse genitief (tweede naamval).
  2. religie (religie) joodse godsdienst in de oudheid
    In het godsdiensthistorisch en literair- kritisch bijbelonderzoek van de 19e eeuw resulteert de consequente toepassing van historisch-genetische methoden in de evolutionistische reconstructie van een ontwikkeling in het Oude Testament, van de natuurreligie via het hebraïsme en het judaïsme naar het christendom toe.

Etymologie

*afgeleid van Hebreeuws