Hebreeën
meervoud/heˈbrejə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- Israëlieten, Joden opgevat als volk in een beschrijving door anderen
- nomadisch volk dat in de Bronstijd leefde in de Levant
Etymologie
* afgeleid van Latijn "Hebraeus" dat via "Ἑβραῖος" (Hebraios) en het teruggaat op (Ivri) "voorbijgaand(e arbeider); iemand van de overkant (van de rivier, de Jordaan)"
Vertalingen
EngelsHebrews
FransHébreux
DuitsHebräer, Hebräerbrief
SpaansHebreos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek