hebbelijkheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kenmerkende, vreemde gewoonte
    Ik vrees dat de attractie meer te maken had met zijn strakke Latijns-Amerikaanse aarsje. Al was Duarte dan de jongste niet meer tijdens zijn laatste proces kwam aan het licht dat hij twaalf intensieve escortjaren in New York doorlopen had , dat aarsje van hem had de hebbelijkheid om razendsnel, wat het ook te verstouwen had gehad, terug te springen naar zijn oervorm.{{Aut|Jong, Rijk de

Etymologie

*afgeleid van hebbelijk

Vertalingen

Engelsmannerism, habit
Spaansmala costumbre, resabio