Hebben

onzijdig (het)/ˈhɛbə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. auxl (auxl) gebruikt voor de vorming van de voltooide tijden
    In een oude National Geographic had ik ooit als kind een artikel over deze trail gelezen, 4.286 kilometer door Amerika. Dit heb ik altijd onthouden, maar ik had nooit gedacht dat zo’n lange wandeltocht voor mij weggelegd zou zijn.
  2. absol (absol) (rechtmatig of wederrechtelijk) bezitten
    Ik heb een mooi huis.
  3. absol (absol) als onderdeel hebben, omvatten, bevatten
    Een auto heeft vier wielen.
  4. absol (absol) lijden aan
    Hij heeft aids.
  5. absol (absol) in dienst hebben
    Het bedrijf heeft 50 werknemers.
  6. absol (absol) drukt een familierelatie uit
    Hij heeft drie kinderen.
  7. absol (absol) in zijn macht hebben
    De rebellen hebben de hoofdstad.
    De politie heeft de verdachte.
  8. absol (absol) als taak zich bezig moeten houden met
    Klas 2C heeft nu Frans.
    Dhr. Anthonis heeft deze klant.
  9. absol (absol) kunnen ~ overweg kunnen met iemand
    Ik kan hem niet hebben.
  10. absol (absol) kunnen ~ weerstaan, doorstaan, goed bestand zijn tgen
    Die vertraging kunnen we er niet meer bij hebben.
    Dit team kunnen we hebben.
    Wat een gedoe, meer dan dit kan ik niet hebben.
  11. absol (absol) een relatie hebben
    Hij heeft met Linda.
  12. absol, auxl (absol), (auxl) ~ te: moeten, verplicht zijn om
    Dat heb je maar te doen/laten!
  13. absol (absol) ~ over: als onderwerp van gesprek hebben
    Waar heeft u het eigenlijk over?
  14. absol (absol) ~ aan: ergens nut van hebben, ergens baat bij hebben
    Daar heb je helemaal niets aan.
werkwoord
  1. hebben + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd
  2. hebben + te: moeten: Wij hebben dit te accepteren
zelfstandig naamwoord
  1. het bezit

Etymologie

Mogelijk zijn al deze verschillende wortels al vroeg in de verschillende Indo-Europese talen door elkaar gehaald en hebben ze elkaar hierdoor in onderlinge betekenisovereenkomst versterkt. Er is ook nog de verklaring dat *ghebh-)/*ghab(h)-/*kap- onderling toch allemaal verwant zijn in het PIE.

Uitdrukkingen

  • af te rekenen hebben met
  • vandoen hebben met
  • Behoefte aan iets hebben
  • Het gehad hebbenErgens genoeg van hebben, er klaar mee zijn, het beu/moe zijn
  • Het mis hebben
  • Het op iets gemunt hebben
  • Van heb ik jou daarGezegd van iets wat groot, imposant e.d. is
  • Wel heb ik jou daar!Uitroep van verbazing

Vertalingen

Engelshave, stand, have
Fransavoir, supporter, avoir
Duitshaben, irren, haben
Spaanshaber
Italiaansavere, avere
Poolsmieć, musieć
Zweedsha, äga
Deenshave