grootvorstin

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouwelijke grootvorst
  2. vrouwelijke afstammeling van de Russische tsaar
    Via de vrouw van koning Willem II, Anna Paulowna, stammen de Oranjes af van de beroemde tsaar. Zij maakte als grootvorstin deel uit van het Huis Romanov, waartoe ook Peter behoorde.
    Al eerder, in 2001, bracht de koningin samen met prins Willem-Alexander een staatsbezoek aan Rusland. Er is nog een oudere verbintenis voor Beatrix en Willem-Alexander: ze hebben beiden Russisch bloed, onder meer via Anna Paulowna, de Russische grootvorstin die met koning Willem II trouwde.
  3. echtgenote van een Russische grootvorst
    Toen kwam de grootvorstin langs met de een of andere gezant en tot zijn ongeluk spraken zij juist over de nieuwe helmen.

Etymologie

* afleiding van grootvorst

Vertalingen

Engelsgrand duchess