gang

mannelijk (de)/ɣɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) lange, smalle doorloopruimte in een gebouw of ondergronds
    De gang op deze verdieping is zeer smal.
  2. anatomie (anatomie) een kanaal/buis in een lichaam
    Via de gehoorgang staat het trommelvlies in verbinding met de buitenlucht.
  3. kookkunst (kookkunst) onderdeel van een maaltijd
    Amuse: velouté van aardpeer met THC (de belangrijkste psychoactieve stof in cannabis)Eerste gang: zeebaars sashimi, grapefruit, gerookte avocado met vaporized mango cannabisTweede gang: gepocheerde wilde zalm met een korst van hennepzaad (zonder THC), venkel, schorseneer, bouillon van zoethout en Syrische wijnruitDerde gang: bbq, geglazuurde varkenswangen, toasted gerst, spruiten, miso bouillon en Hollandia truffel (twee keer zo potent als veel andere soorten psychedelische truffels)Dessert: gelaagde pure chocoladecake met coulis van gemengde bessen en Nepalese hasj
  4. figuurlijk beweging, snelheid (ook (figuurlijk))
    We waren bekaf en konden niet meer op gang komen.
  5. paardrijden (paardrijden) voortbewegingswijze van paarden
    In welke gang gaat het paard het snelst? In rengalop natuurlijk.
  6. het gaande zijn
    Het feest was in volle gang toen het licht uitviel.
  7. (afgelegde) weg
    Het was voor de rechercheur niet eenvoudig zijn gangen te volgen.
  8. Bende, komt van het Engels.
    Jef zit in een andere gang dan ons.
  9. geologie (geologie) vulling van een spleet in een gesteente
  10. jaargang

Etymologie

* In de betekenis van ‘doorloop, overdekte weg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450

Uitdrukkingen

  • bij geruchten vernomen hebben
  • met hoge snelheid
  • bezig zijn
  • op zijn eigen manier bezig zijn
  • de uitvaart

Vertalingen

Engelscorridor, gallery, passage
Franscorridor, couloir, plat
DuitsGang, Flur, Korridor
Spaanscorredor, plato
Italiaanscorridoio
Zweedskorridor