tempo

onzijdig (het)/'tɛmpo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de snelheid waarmee een muziekstuk wordt gespeeld
    Het tempo van dit pianostuk ligt behoorlijk laag.
  2. de snelheid waarmee dingen elkaar opvolgen
    De grappen vliegen in hoog tempo over tafel, en ook al heb ik eigenlijk geen zin om te luisteren, toch schiet ik af en toe spontaan in de lach.
    Het tempo van de les lag een pak hoger dan in de lagere school.
  3. de snelheid waarmee men iets doet
    Ik ben blij met het tempo van de groep, iedereen heeft energie.
    Het was in dat opzicht opvallend fijn om alleen te zijn en geheel in mijn eigen tempo de dag door te gaan.

Etymologie

*uit het tempo "snelheid waarmee een muziekstuk wordt gespeeld"

Vertalingen

Engelsspeed
Franscadence
Spaanstempo, velocidad