gaardenier

mannelijk (de)/ˌɣardəˈnir/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd, beroep (verouderd) (beroep) tuinman, hovenier

Etymologie

*van Middelnederlands "gaardenier", afgeleid van gaard(e) en respectievelijk , cognaat met "Gärtner" en "gardener", zie ook "jardinier"