Gaarde

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣardə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) bij een kaag: de kabels waarmee de spriet in de vaarrichting gehouden wordt
  2. meestal gegalvaniseerde stalen draad met behulp waarvan riet op een dak strak gebonden wordt
  3. taai, recht wilgenhout voor rijswerk
  4. verouderd (verouderd) omheinde ruimte, tuin (vooral nog als laatste deel in eigennamen en samenstellingen)
    {{ouds
  5. religie (religie) paradijs
    Over de gaarde wordt in de Koran gesproken in de zin van het paradijs dat aan Adam en zijn vrouw als woonplaats werd gegeven.
    'Dan wordt de woestijn een gaarde en de gaarde gelijkt een woud'.Jesaja 32:15-16:

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "gaerde" van Oudnederlands "gardo"