fonograaf
mannelijk (de)/ˌfonoˈɣraf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toestel om geluiden mee te registreren met behulp van een wasrol, voorloper van de grammofoon
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorloper van de grammofoon’ voor het eerst aangetroffen in 1886
Vertalingen
Engelsphonograph
Spaansfonógrafo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek