fluiten

/ˈflœytə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. muziek (muziek) een fluit bespelen
    De man kon erg goed fluiten en bracht het publiek in vervoering.
  2. met de lippen een geluid dat lijkt op dat van een fluit (als onder [1]) voortbrengen
    Mijn collega liep de hele tijd te fluiten, zo vrolijk was hij.
    Pogue floot een oude countryhit en Goldie verslond drie pannen pasta en praatte met volle mond aan één stuk door.
  3. met een fluit een signaal geven
    De agent moest fluiten om het verkeer tot stoppen te dwingen.
  4. sport (sport) (bij een sportwedstrijd) als scheidsrechter optreden
    Moet jij zaterdag nog fluiten?
  5. dierengeluid (dierengeluid) een geluid voortbrengen zoals zekere zangvogels
    In de boom floot een putter als of het een lieve lust was.

Etymologie

*afgeleid van fluit

Uitdrukkingen

  • Ergens naar kunnen fluitenGezegd als iets van waarde onbereikbaar is (geworden)

Vertalingen

Engelsflute, whistle
Franssiffler
Duitspfeifen
Spaanschiflar, silbar, pitar
Italiaansfishiare
Russischсвистеть
Poolsgrać, gwizdać