fluim
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hoeveelheid slijm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Vertalingen
EngelsSpucke, spittle, sputum
Fransglaviot
DuitsSpeichel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek