fluisteren

/ˈflœystərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) spreken met gedempte stem
    Zij fluisterden om de kinderen niet wakker te maken.
    ‘Dit is het,’ fluisterde ik opgewonden in het duister. Vandaag zou ik de woestijn intrekken, een dorre vlakte die mij totaal vreemd was. De adrenaline gierde door mijn lijf omdat, na meer dan een jaar voorbereiding, mijn trektocht van Mexico naar Canada eindelijk begon.
  2. ov (ov) iets met gedempte stem zeggen
    Het antwoord werd in zijn oor gefluisterd.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zacht spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1640

Vertalingen

Engelswhisper
Franschuchoter
Duitsflüstern
Spaanssusurrar, bisbisar, bisbisear
Italiaanssussurrare
Portugeessussurrar