elektronica

vrouwelijk (de)/elɛkˈtroniˌka/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wetenschap, elektrotechniek (wetenschap) (elektrotechniek) de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen in de vrije ruimte of vaste stof hetgeen leidt tot actieve componenten zoals elektronenbuizen en transistors of in niet-lineaire componenten zoals b.v. diodes
    Hij is bezig elektronica te leren.

Etymologie

* Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘elektronentechniek’ voor het eerst aangetroffen in 1954

Vertalingen

Engelselectronics
Fransélectronique
DuitsElektronik
Spaanselectrónica
Italiaanselettronica
Portugeeseletrônica
Russischэлектроника
Chinees电子学
Japans電子工学
Koreaans일렉트로닉스
Arabischإلكترونيات
Turkselektronik
Poolselektronika
Zweedselektronik
Deenselektronik