elektricien

mannelijk (de)/eˌlɛktriˈʃɛ̃/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektrotechniek, beroep (elektrotechniek) (beroep) vakman die elektrische installaties aanlegt en onderhoudt

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vakman op elektrisch gebied’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1894

Vertalingen

Engelselectrician
Fransélectricien
DuitsElektriker
Spaanselectricista
Italiaanselettricista