dubbeltitel
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de overwinning in een tennistoernooi bij het dubbelspelSafárová en Mattek-Sands pakken ook in Parijs de dubbeltitelWesley Koolhof en Matwé Middelkoop hebben naast hun vierde dubbeltitel op de ATP-tour gegrepen. Ze waren in Ahoy niet opgewassen tegen de Kroaat Ivan Dodig en Spanjaard Marcel Granollers: 7-6 (5), 6-3.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek