comfort

onzijdig (het)/kɔnˈfɔrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een toestand waarin men zonder onrust, vrees of verlegenheid is
    Zij leefden in rust en comfort.
    In juni 2015 stapte Schiphol over van controle bij de gates naar centrale beveiliging, met bodyscans. De vijf controlezones zijn bedoeld voor meer comfort voor de reiziger en meer efficiëntie voor de maatschappijen. NRC Mark Duursma 29 juni 2016
    'Ons zul je niet snel in een appartementje zien. Dat is voor de Nederlanders. Die gaan op zoek naar de bungalows en appartementjes die wij in onze vakantiebrochures zelfs niet meer opnemen. Een Belg gaat in zijn vakantie niet zelf achter het fornuis staan; die wil rust en comfort. de Standaard Frans Boogaard 28-08-2017
  2. weelde
    Zij leefden in een kasteel met overdadige luxe en comfort, maar alles was zo breekbaar dat schoonmaken niet gemakkelijk was.

Etymologie

* De Middelnederlandse vormen confoort/confort waren ontleend aan het Frans. In de moderne vorm comfort opnieuw ontleend aan het Engels. In de betekenis van ‘gemak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847

Vertalingen

Engelscomfort
Fransconfort
DuitsKomfort
Spaansconfort, comodidad