cauda
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɑuda/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) langwerpig uiteinde
- onderste deel van de bijbalBij onderzoek bleek hij heldere urine te hebben, droge urethra en de epididymis was nagenoeg geheel normaal. Men voelde aan de cauda een kleine infiltratie.
- grote zenuwbundel onderaan het ruggenmerg in de onderrug{{ouds|1935/46
- onderste deel van het kraakbeen in de oorschelp
- smal uiteinde van de alvleesklier dat tegen de milt aanligtDe alvleesklier heeft de vorm van een kikkervisje, het heeft een caput (kop), een corpus (lichaam) en een cauda (staart).
- uiteinde onderaan de staartkern in de hersenen
- (verouderd) onderste deel van het heiligbeen
- (verouderd) onderste del van de wervelkolom
- (dichtkunst) versvorm waarbij groepjes regels telkens worden afgesloten met kortere regels die weer op elkaar rijmen
Etymologie
*van Latijn "cauda"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek